beurt

muiswerk->woordenboek->beginletter->B->beurt

[zelfstandig naamwoord]

  1. keer dat iemand of iets behandeld wordt
    vb:wie is aan de beurt?
    1. de keuken krijgt een grote beurt [wordt grondig schoongemaakt]
    2. hij maakte een goede beurt [hij maakte een gunstige indruk]
    3. om de beurt [eerst de een, dan de ander]
    4. iemand een beurt geven [mondeling overhoren in de klas]
    5. een grote beurt [groot onderhoud aan een auto]
    6. voor zijn beurt gaan [voordringen]
Meer informatie bij:
ander aan dat de eerst grondig gaan geven groot hij iemand iets in indruk keer keuken klas mondeling om of overhoren onderhoud wie
zelfstandig naamwoord: beurt
de beurt
de beurten
het beurtje
Muiswerk Online © 2011