boom
muiswerk->woordenboek->beginletter->B->boom
[zelfstandig naamwoord]
- plant met stevige stam waaraan takken groeien
vb:in onze tuin staat een hoge boom
- een boom van een vent
[een grote stevige man]
- hoge bomen vangen veel wind
[wie belangrijk is, krijgt veel kritiek]
- door de bomen het bos niet zien
[door de details het geheel niet zien]
- aan zijn vruchten kent men de boom
[aan zijn daden kent men de mens]
- de bomen groeien niet tot in de hemel
[de mogelijkheden zijn niet onbeperkt]
- oude bomen moet je niet verplanten
[oude mensen kunnen beter niet verhuizen]
- aan de vruchten kent men de boom
[men kent de mens aan wat hij doet]
- de appel valt niet ver van de boom
[kinderen lijken meestal op hun ouders]
- omdraaien als een blad aan een boom
[je ineens heel anders gaan gedragen]
- de kat uit de boom kijken
[een afwachtende houding aannemen]
- je kunt de boom in!
[ik weiger het echt]
- een boom omzagen
[hard snurken]
Meer informatie bij:
als anders aannemen aan belangrijk beter blad bos de door echt gaan gedragen geheel groeien hemel hij houding hun het in ineens ik je kat kijken kunnen lijken man meestal men mens met omdraaien op plant snurken staat stam tot tuin uit van vangen veel vent verhuizen wat wie wind zien
- zelfstandig naamwoord: boom
- de boom
de bomen
het boompje
Muiswerk Online © 2011