broek

muiswerk->woordenboek->beginletter->B->broek

[zelfstandig naamwoord]

  1. kledingstuk met twee pijpen dat om je benen en je billen zit
    vb:ze draagt een broek als het koud is
    1. een pak voor zijn broek krijgen [klappen tegen zijn achterwerk]
    2. een broekje [een jong en onervaren iemand]
    3. dat zal je dun door de broek lopen [lelijk tegenvallen]
    4. de broek aan hebben [de baas zijn]
    5. iemand achter de broek aan zitten [hem voortdurend aanmanen]
    6. daar zakt mijn broek van af [verontwaardigde, verbaasde reactie]
    7. het loopt hem dun door de broek [hij is erg bang]
    8. het in je broek doen [in je broek plassen of poepen]
    9. hij heeft geen broek aan zijn gat [is erg arm]
    10. een proces aan je broek krijgen [het moeten voeren]
    11. je eigen broek op kunnen houden [onafhankelijk zijn]
Meer informatie bij:
als achterwerk af aan baas bang billen dat de daar doen door dun en eigen gat geen hebben hem hij houden het iemand in je jong krijgen kunnen klappen kledingstuk lelijk lopen met moeten om onafhankelijk op of pak plassen poepen proces reactie tegen tegenvallen van voeren voortdurend ze zitten
zelfstandig naamwoord: broek
de broek
de broeken
het broekje
Muiswerk Online © 2011