buik

muiswerk->woordenboek->beginletter->B->buik

[zelfstandig naamwoord]

  1. het zachte middelste deel van het lichaam
    vb:ik heb pijn in mijn buik
    1. schrijf maar op je buik [je krijgt je zin niet]
    2. baas in eigen buik zijn [zelf mogen beslissen over abortus]
    3. er de buik vol van hebben [ervan balen]
    4. het zijn twee handen op één buik [schamper commentaar als twee mensen het altijd met elkaar eens zijn]
    5. dat kun je wel op je buik schrijven [dat gaat niet door]
    6. vlinders in je buik hebben [verliefd zijn]
    7. er de buik vol van hebben [er niets meer mee te maken willen hebben]
    synoniem: pens
    tegenstelling: rug
Meer informatie bij:
als altijd abortus baas beslissen balen commentaar dat de deel door er ervan eens eigen elkaar hebben het in ik je kun lichaam maar maken mee met mogen middelste niets op pijn schamper te van verliefd vol willen zelf zin
zelfstandig naamwoord: buik
de buik
de buiken
het buikje
Muiswerk Online © 2010