leven

muiswerk->woordenboek->beginletter->L->leven

[regelmatig werkwoord]

  1. ademen en kunnen bewegen
    vb:mijn opa van 96 leeft nog
    1. hij bracht het er levend van af [hij ging niet dood]
    2. hij weet van voren niet dat hij van achteren leeft [hij is helemaal in de war]
    3. hij leeft voor zijn gezin [zijn gezin is het belangrijkst]
    4. leve de koningin [hoera voor de koningin]
    5. wie dan leeft wie dan zorgt [je moet je geen zorgen maken voor het nodig is]
  2. op een bepaalde manier bestaan
    vb:hij leeft van een uitkering
    1. je moet leven en laten leven [iedereen mag leven zoals hij wil]
Meer informatie bij:
ademen af bewegen dat de er en geen gezin helemaal hij het hoera iedereen in je kunnen koningin laten maken manier nodig nog op opa uitkering van voren wie wil war zoals zorgen
regelmatig werkwoord: le-ven
ik leef
jij/u leeft
hij/zij leeft
wij/zij/jullie leven
ik/jij/u/hij/zij leefde
wij/zij/jullie leefden
hij heeft geleefd
levend, levende
Muiswerk Online © 2011