lot

muiswerk->woordenboek->beginletter->L->lot

[zelfstandig naamwoord]

  1. briefje dat je krijgt als me meespeelt in een loterij
    vb:op dit lot is een prijs gevallen
    1. dat is een lot uit de loterij! [een buitenkans]
    2. lootjes trekken [briefjes met de naam van iemand]
  2. hoe je leven verloopt, waar je geen macht over hebt
    vb:het is kennelijk zijn lot om ongetrouwd te blijven
    1. van lotje getikt [gek]
    2. hem aan zijn lot overlaten [je niet om hem bekommeren]
    3. het lot was mij gunstig gezind [ik had geluk]
    4. de ironie van het lot [het toeval brengt het tegenovergestelde van wat je verwacht]
    5. zich zijn lot aantrekken [met hem begaan zijn]
    6. berusten in zijn lot [er vrede mee hebben]
Meer informatie bij:
als aantrekken aan blijven berusten bekommeren dat de dit er geen geluk gezind getikt gunstig hebben hem hoe het iemand in ik ironie je kennelijk macht mee met mij me naam om op overlaten prijs te trekken toeval uit van vrede wat was zich
zelfstandig naamwoord: lot
het lot
de loten
het lotje
Muiswerk Online © 2011