staan

muiswerk->woordenboek->beginletter->S->staan

[onregelmatig werkwoord]

  1. op voeten of poten overeind zijn
    vb:aan het eind van het concert ging het publiek staan
    1. ik sta erop [ik wil per se dat het gebeurt]
    2. ik sta achter je [ik verdedig je]
    3. het staat of valt met .... [het hangt ervan af]
    4. je moet daar boven staan [je er niets van aantrekken]
    5. ik sta op het standpunt dat .... [ik vind dat]
    6. dat staat in verband met .... [dat heeft ermee te maken]
    tegenstelling: liggen
  2. in een bepaalde toestand zijn
    vb:dat gebouw staat leeg
  3. zich bevinden
    vb:het eten staat op tafel
    1. je baard laten staan [je niet scheren]
    2. die plant staat er goed bij [ziet er gezond uit]
    3. hij staat aan het hoofd [hij heeft de leiding]
    4. ik werk nooit in de tuin, laat staan als het regent [dus zeker niet als het regent]
    5. dat geval staat op zichzelf [het heeft niet met iets anders te maken]
    6. zij staat bekend als .... [men kent haar zo]
  4. opgeschreven of gedrukt
    vb:in de krant staat dat de minister gaat bezuinigen
    1. ik sta op de foto [ik ben daarop afgebeeld]
  5. bij hem passen
    vb:dat pak staat hem goed
algemene uitdrukkingen:
  1. er staat jou nog wat te wachten [je krijgt nog heel wat te verwerken]
Meer informatie bij:
als anders aantrekken af aan baard bekend bevinden bezuinigen boven concert dat de daar daarop die dus er ermee erop ervan eind foto gebouw geval gezond hem hij het iets in ik je jou krant laat laten leeg leiding maken men met minister niets nog nooit op of overeind pak passen per plant poten publiek regent staat standpunt tafel te toestand tuin uit van verband verwerken wachten wat werk wil zich zichzelf zij zo
onregelmatig werkwoord: staan
ik sta
jij/u staat
hij/zij staat
wij/zij/jullie staan
ik/jij/u/hij/zij stond
wij/zij/jullie stonden
hij heeft gestaan
staand, staande
Muiswerk Online © 2011