trouw

muiswerk->woordenboek->beginletter->T->trouw

[bijvoeglijk naamwoord]

  1. wie zich houdt aan wat hij beloofd of afgesproken heeft
    vb:haar trouwe vriend laat haar niet in de steek
    1. te goeder trouw zijn [eerlijk en oprecht zijn]
    2. te kwader trouw zijn [slechte bedoelingen hebben]
    3. trouw zijn huiswerk maken [zonder een keer over te slaan]
    4. een trouwe hond [een trouw persoon]
  2. volhardend en standvastig
    vb:hij is trouw aan zijn principes
Meer informatie bij:
aan de en eerlijk hebben hij hond huiswerk in keer laat maken oprecht of persoon slaan steek te vriend wat wie zich zonder
bijvoeglijk naamwoord: trouw
... is trouwer dan ...
het trouwst
de/het trouwe ...
Muiswerk Online © 2011