trouw
muiswerk->woordenboek->beginletter->T->trouw
[bijvoeglijk naamwoord]
- wie zich houdt aan wat hij beloofd of afgesproken heeft
vb:haar trouwe vriend laat haar niet in de steek
- te goeder trouw zijn
[eerlijk en oprecht zijn]
- te kwader trouw zijn
[slechte bedoelingen hebben]
- trouw zijn huiswerk maken
[zonder een keer over te slaan]
- een trouwe hond
[een trouw persoon]
- volhardend en standvastig
vb:hij is trouw aan zijn principes
Meer informatie bij:
aan de en eerlijk hebben hij hond huiswerk in keer laat maken oprecht of persoon slaan steek te vriend wat wie zich zonder
- bijvoeglijk naamwoord: trouw
- ... is trouwer dan ...
het trouwst
de/het trouwe ...
Muiswerk Online © 2011