voor
muiswerk->woordenboek->beginletter->V->voor
[voorzetsel, bijwoord, voegwoord]
- aan de voorkant ervan
vb:de auto staat altijd voor het huis
- kijk vóór je!
[kijk recht voor je uit]
- aan de voorste speen liggen
[meer krijgen dan de anderen]
tegenstelling: achter
- wie het krijgt
vb:dit boek is voor jou
tegenstelling: van
- welk doel het heeft
vb:dit is geld voor de trein
- in plaats van
vb:dit is een kwartje voor de moeite
- ik heb het voor weinig geld gekregen
[ik moest weinig betalen]
- dat is voor eigen rekening
[dat moet je zelf betalen]
- waar je een voorstander van bent
vb:ik ben voor Ajax
- ik ben er niet voor
[er geen voorstander van]
- ik stemde voor de VVD
[mijn stem ging naar die partij]
tegenstellingen: tegen anti
- eerder dan
vb:ik was voor jou aan de beurt
- dat is niets voor mij
[dat vind ik helemaal niet leuk]
tegenstelling: na
- algemene uitdrukkingen:
-
- voor één keer
[alleen deze keer]
- wat is dat voor ding?
[welk soort ding is dat]
- hij doet dat voor zijn plezier
[omdat hij het leuk vindt]
- ik ben vandaag voor het eerst geweest
[vandaag was de eerste keer]
- voor het geval dat het gaat regenen
[als het gaat regenen]
Meer informatie bij:
als altijd aan betalen beurt boek dat de die deze ding dit doel er eerste ervan eerder eerst eigen geen geld geval helemaal hij huis het in ik je jou keer krijgen kwartje kijk leuk liggen mij moeite niets omdat partij plaats plezier regenen rekening speen soort staat stem trein uit van vandaag voorstander voorkant wat weinig welk wie was zelf
- voorzetsel: voor
- bijwoord: voor
- voegwoord: voor
Muiswerk Online © 2011