Basisspelling

Het Muiswerkprogramma Basisspelling bestrijkt de basisregels van de Nederlandse spelling; regels die op de basisschool worden aangeleerd en waarmee in het voortgezet onderwijs nog wordt geoefend.

Doelgroepen Basisspelling

Basisspelling is bedoeld voor leerlingen in de eerste klassen van vmbo-bbl, -kbl en -gl. In de brugklassen van vmbo-tl, havo en vwo kan het programma gebruikt worden voor dyslectische of taalzwakke leerlingen voor wie Gevarieerde Spelling nog wat te moeilijk is. In het mbo, het volwassenenonderwijs en de basiseducatie kan het programma gebruikt worden voor remediërende doeleinden. Het programma is bijzonder geschikt voor groepen waarin niveauverschillen bestaan. De lesstof begint op het niveau van groep 6 en loopt door tot Meijerinkniveau 2F.

Omschrijving Basisspelling

Het basisprincipe van de Muiswerkprogramma's is dat diagnostische toetsen uitzoeken welke gebieden de leerling onvoldoende beheerst. Vervolgens selecteert het programma de oefeningen die daarbij aansluiten. Leerlingen werken op die manier alleen aan hun zwakke plekken. Ook Muiswerk Basisspelling is zo gestructureerd.

Muiswerk Basisspelling behandelt alle belangrijke basisregels van de Nederlandse spelling. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de vorm van veel voorkomende woorddelen en aan technieken voor het inprenten van moeilijke woorden. De stof wordt voor de leerling uitgelegd in de uitlegschermen met voorbeelden. Deze vormen altijd het begin van de oefeningen. Tijdens het oefenen kan de uitleg op elk gewenst moment opnieuw nagelezen worden.

In Muiswerk Basisspelling wordt aandacht besteed aan de belangrijkste spellingstof waarin men in de eerste klassen van het voortgezet onderwijs een beheersingsniveau bereikt moet hebben.

  • lettercombinaties
    Rubriek A gaat over veel voorkomende lettercombinaties, met name waar geen sprake is van een gewone koppeling van klank en letter, maar waar bij de spelling enigszins wordt afgeweken van wat je hoort. Bijvoorbeeld de woorddelen ‘aai’, ‘eeuw’, ‘eer’ en het gebruik van ‘ng’ of ‘nk’. In de uitlegschermen wordt aangegeven wat het verschil is tussen wat je hoort en wat je schrijft, en welke regel geldt voor het gebruik van ‘ng’ en ‘nk’. Er zijn drie oefeningen in oplopende moeilijkheid en met twee verschillende oefenvormen.

    Oefening

    Oefening A3: welk woord is goed gespeld?

  • voor- en achtervoegsels
    Woorddelen die veel voorkomen en altijd hetzelfde geschreven worden, zijn achtervoegsels als ‘lijk’, ‘ig’, ‘heid’, ‘teit’, ‘achtig’. Rubriek B gaat over het foutloos schrijven van deze achtervoegsels. Als manier om de spelling van deze woorddelen te onthouden, wordt gegeven dat je kunt proberen er een beeld bij te denken. Bij deze rubriek horen vijf oefeningen in oplopende moeilijkheid en met vier verschillende oefenvormen.

  • verdelen in lettergrepen
    Rubriek C gaat over verdelen in lettergrepen. Dat is een belangrijke basisvaardigheid voor het kunnen toepassen van spellingregels als verdubbeling van klinker of medeklinker. Ook heeft het een functie bij het afbreken van woorden aan het eind van de regel. Het is eenvoudig gehouden. Woorden met meer dan twee medeklinkers middenin komen niet aan de orde. Het verschil tussen open en gesloten lettergreep hoort wel bij de stof. Er zijn in deze rubriek vier oefeningen in oplopende moeilijkheid en er werden twee verschillende oefenvormen gebruikt.

  • een of twee letters
    In rubriek D komen de regels voor het schrijven van een of twee klinkers en de regels voor het schrijven voor een enkele of dubbele medeklinker aan bod. De begrippen open en gesloten lettergreep spelen daar een belangrijke rol bij. Een bijzondere positie wordt ingenomen door de spelling van de e-klank, die aan het eind van een woord als twee letters geschreven wordt. Er zijn zeven oefeningen in drie verschillende oefenvormen.

    Oefening

    Oefening D4: schrijf je dit woord met één e of met twee?

  • ie of i
    Voor het schrijven van ie of i zijn geen eenvoudige regels te geven. Daarom wordt de spelling van deze letters apart behandeld in rubriek E. Aangegeven wordt dat in een Nederlands basiswoord de lange ie-klank als ie geschreven wordt (actief, fabriek). Woorden die daarvan afgeleid zijn, houden meestal die ie (actiever, fabrieken). Als er géén basiswoord is, schrijf je in een open lettergreep de ie als i (liter, crisis). Op het eind van een woord schrijf je een –ie, behalve bij de namen van maanden en bij buitenlandse woorden (februari, macaroni). Van sommige bijzondere koppels moet de spelling onthouden worden (fabriek-fabriceren). Er zijn in deze rubriek vier oefeningen in oplopende moeilijkheid, in vier verschillende oefenvormen.

  • verlengingsregel
    Een van de basisregels van de Nederlandse spelling, gebaseerd op het principe van de gelijkvormigheid, is de verlengingsregel. In rubriek F komt deze regel aan de orde. Je schrijft ‘paard’ vanwege ‘paarden’ en ‘web’ vanwege ‘webben’. In de spelling van de kortere woorden wordt dus niet de uitspraak gevolgd. Deze regel wordt aangeleerd in vier oefeningen in oplopende moeilijkheid en er werden ook vier verschillende oefenvormen gebruikt.

  • verkleinwoorden
    We gebruiken in het Nederlands vijf verschillende uitgangen om een verkleinwoord te maken. Rubriek G gaat over dit onderwerp. In de meeste gevallen hoor je welke uitgang gebruikt moet worden, maar er zijn wat complicaties. Soms moet bijvoorbeeld eerst de verlengingsregel worden toegepast (hoed-je) en bij de uitgang –kje vervalt de g die op het eind van het woord stond (koninkje). Aangegeven wordt ook bij welke woorden welke verkleinuitgang hoort. De rubriek bestaat uit vier oefeningen in oplopende moeilijkheid en er zijn drie verschillende oefenvormen.

  • meervouden
    Bij het schrijven van meervouden van zelfstandige naamwoorden komen we verschillende moeilijkheden tegen. Over de regels hiervoor gaat rubriek H. Bij het meervoud op –en komen de regels van klinkerverenkeling (boom-bomen) en medeklinkerverdubbeling (bom-bommen) terug. Soms wordt een s veranderd in een z (bazen), maar dat gebeurt niet altijd (dansen). Bij het meervoud op –s schrijf je soms een vaste s (tafels) en gebruik je in andere gevallen een apostrof (hobby’s). De stof over meervouden wordt behandeld en geoefend in zeven oefeningen in oplopende moeilijkheid, waarbij vijf verschillende oefenvormen gebruikt worden.

  • bijvoeglijk naamwoord
    In rubriek I komt de spelling van het bijvoeglijk naamwoord aan de orde. Het gaat daarbij om het al dan niet schrijven van de –n op het eind. Daartoe moeten leerlingen onderscheid kunnen maken tussen stoffelijke en niet-stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden. Verder moeten ze weten welke bijvoeglijke naamwoorden afgeleid zijn van een voltooid deelwoord dat op –en eindigt. Al met al geen gemakkelijke opgave. In vijf oefeningen wordt de stof behandeld en geoefend. Ze lopen op in moeilijkheid en er wordt gebruikgemaakt van vier verschillende oefenvormen.

  • tussenletters e(n)
    Rubriek J gaat over de tussenletters e of en. Je kunt twee woorden aan elkaar plakken en zo een samenstelling maken. Soms moet er e of en tussen de woorden. De –n hoor je niet in de gewone beschaafde uitspraak. Of je hem wel schrijft, hangt af van twee vragen: is het eerste woord een zelfstandig naamwoord en zo ja, heeft dat zelfstandig naamwoord alleen een meervoud op –en. Men leert in deze rubriek daarom eerst wat een zelfstandig naamwoord is en vervolgens wordt de spelling van de tussenletters stap voor stap aangeleerd. Er zijn vier oefeningen, met drie verschillende oefenvormen.

  • tussenletter s
    Rubriek K gaat over de tussenletter s. Je kunt twee woorden aan elkaar plakken en zo een samenstelling maken. Soms moet er een s tussen de woorden. De s hoor je niet altijd. Het schrijven van de onhoorbare s gebeurt op basis van analogie (‘stationsstraat’ vanwege ‘stationsplein’). In twee oefeningen wordt deze procedure behandeld en geoefend. De oefeningen hebben verschillende oefenvormen.

    Oefening

    Oefening K2 gaat over de tussenletter s.

  • hoofdletters
    Rubriek L gaat over hoofdletters. Hoofdletters worden gebruikt aan het begin van een zin en bij eigennamen. Daar zijn wat uitzonderingen op. De leerling leert in deze rubriek de regels en uitzonderingen kennen en toepassen. Hij doet dat met behulp van drie oefeningen in drie verschillende oefenvormen.

  • aaneenschrijven
    Woorden die samen één begrip vormen, worden in het Nederlands aan elkaar geschreven. Rubriek M gaat over dit probleem. Om te weten welke woorden aan elkaar moeten, kun je verder letten op eventuele tussenletters en op het verschijnsel hoofdklemtoon. Woorden die aan elkaar moeten hebben één hoofdklemtoon. In vier oefeningen wordt de stof geoefend. Er zijn vier verschillende oefenvormen.

  • inprentwoorden
    In het laatste deel van het programma nogmaals aandacht voor inprentwoorden, maar nu gaat het om moeilijker woorden dan aan het begin. Rubriek N gaat over het onthouden van woorden met lange of korte ei, met au of ou, met g of ch, of met c of k. Natuurlijk kunnen in het kader van dit programma niet álle woorden aan bod komen waarbij een van deze problemen speelt. De leerling krijgt daarom een middel aangereikt waarmee groepjes woorden van een bepaald soort (bijvoorbeeld ei-woorden) onthouden kunnen worden. Acht oefeningen in deze rubriek. De probleemwoorden worden eerst afzonderlijk geoefend en later door elkaar. Er zijn drie verschillende oefenvormen.

  • buitenlandse woorden
    Rubriek O gaat over buitenlandse woorden. Deze houden zich meestal niet aan de spelling van Nederlandse woorden. Zij moeten daarom vaak onthouden worden. Toch zijn er wel wat algemene richtlijnen, bijvoorbeeld voor woorden met C of CH. De leerlingen leren hier een derde inprentvorm, namelijk het onthouden van de spellinguitspraak van een woord. Er wordt alleen geoefend met woorden die in de uitlegschermen staan. De rubriek bestaat uit vijf oefeningen met vijf verschillende oefenvormen.

Zowel allochtone als niet-allochtone leerlingen kunnen met dit programma hun voordeel doen. Buiten het programma valt de stof van het aanvankelijke spellen, waarin het verband tussen klanken en letters wordt aangeleerd en ook het grootste deel van de inprentwoorden. Wel komen in het programma enkele inprenttechnieken aan bod, waarmee op een tamelijk willekeurig corpus van woorden geoefend wordt.

Basisspelling bestaat uit 5 toetsen. Er is één uitgebreide toets waarin alle lesstof aan de orde komt en er zijn vier deeltoetsen waarin een deel van de onderwerpen getoetst wordt. Er zijn 69 oefeningen (zie stofoverzicht). De oefeningen zijn onderverdeeld naar onderwerp. De meeste oefeningen en toetsen kunt u ook op verschillende manieren op papier afdrukken. In totaal zijn in dit lesbestand 1101 vragen in 1340 variaties, 1613 woorden en 14 teksten verwerkt. Bij het pakket hoort ook een overzichtelijke handboek.