Spelling voor de bovenbouw

Het Muiswerkprogramma Spelling voor de bovenbouw is een programma voor het aanleren en oefenen van moeilijke woorden en van de spellingregels van het Nederlands, inclusief de werkwoordspelling. Het programma richt zich op gevorderde spellers.

Doelgroepen Spelling voor bovenbouw

Het programma Spelling voor de bovenbouw is bedoeld voor studenten in de hoogste klassen van havo en vwo en voor studenten in het hbo die ontbrekende spellingkennis willen bijspijkeren. Het programma richt zich op gevorderde spellers en het niveau begint op 2S en loopt door tot iets onder 4F.

Omschrijving Spelling voor bovenbouw

Het basisprincipe van de Muiswerkprogramma's is dat diagnostische toetsen uitzoeken welke gebieden de leerling onvoldoende beheerst. Vervolgens selecteert het programma de oefeningen die daarbij aansluiten. Leerlingen werken op die manier alleen aan hun zwakke plekken. Ook Muiswerk Spelling voor de bovenbouw is zo gestructureerd.

In Muiswerk Spelling voor de bovenbouw wordt aandacht besteed aan onderwerpen die in alle spellingmethodes voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs behandeld worden. Vier strategieën zijn voor het spellen belangrijk. Op de eerste plaats de alfabetische strategie, het omzetten van klanken naar letters. Als tweede is er de orthografische strategie, het toepassen van regels waarbij gekeken moet worden naar de volgorde en positie van de letters. Hier vallen de regels voor klinkerverenkeling en medeklinkerverdubbeling onder. De derde strategie is de morfologische, het toepassen van het gelijkvormigheidsprincipe: woorden of woorddelen houden in verschillende contexten vaak dezelfde vorm. Hier vallen bijvoorbeeld de verlengingsregel en de regels voor de werkwoordspelling onder. Tot slot is er de logografische strategie, het inprenten van woordbeelden met een specifieke spelling, die niet gebonden is aan Nederlandse klanktekenkoppelingen of regels. Grote aantallen leenwoorden waar het Nederlands zo rijk aan is, moeten ingeprent worden.

Bijzonder geschikt voor het bevorderen van inprenting zijn de flitsoefeningen. We hebben deze oefeningen ontwikkeld omdat vooral visuele previews belangrijk blijken te zijn voor het verbeteren van de spellingvaardigheid. Zelfs kort oefenen met visuele woordbeelden levert een aanzienlijke vooruitgang op (Proefschrift Maartje Hilte 2009: Optimizing computer-based spelling exercises).

Uitlegscherm 

Spelling voor de bovenbouw bestaat bovendien voor een groot deel uit productieve oefeningen: de student moet zelf iets intypen of verbeteren en niet alleen maar beoordelen of een bepaalde spelling goed of fout is. Dat is gedeeltelijk een andere vaardigheid.

Hieronder is aangegeven hoe elk van deze onderwerpen bij Spelling voor de bovenbouw is ingevuld. Sommige onderwerpen lijken misschien te eenvoudig voor de beoogde doelgroep, maar bij de diagnostische aanpak die wij voorstaan komen die oefeningen alleen tevoorschijn als uit de diagnostische toets blijkt dat een student de stof niet beheerst.

  • Enkel of dubbel
    Rubriek A gaat over de regels voor het schrijven van enkele of dubbele klinkers en enkele of dubbele medeklinkers. De begrippen open en gesloten lettergreep spelen daarbij een belangrijke rol. Een bijzondere positie heeft de e-klank, die aan het eind van een woord meestal als twee letters geschreven wordt en aan het eind van Franse leenwoorden als één letter met accent aigu.

  • F of V, S of Z
    Bij langer maken verandert de F op het eind van een woord bijna altijd in een V, behalve bij vreemde woorden en bij bepaalde achtervoegsels (filosofen, fotografen, begrafenis). Vaak verandert de S op het eind van een woord bij langer maken in een Z, maar op deze omzetting zijn veel meer uitzonderingen. Ook aan de orde komt het gebruik van S in bijvoeglijke (Chinese, Portugese) en Z in zelfstandige naamwoorden als het gaat om woorden die van landen zijn afgeleid (Chinezen, Portugezen).

    Oefening
  • I, IE of Y
    In een open lettergreep wordt de IE-klank vaak als I geschreven. Bepalend daarvoor is vaak de klemtoon. In open lettergrepen met klemtoon schrijf je meestal IE. Dat heeft gevolgen voor bijvoorbeeld het meervoud van woorden op -IE (bacteriën, categorieën). Er zijn echter veel uitzonderingen op de klem-toonregel, die onthouden moeten worden (margarine, stupide). De Griekse Y komt alleen in leenwoorden voor (pyjama, mysterie, jury), soms verbonden met een andere klinker (hockey, essay).

  • Leenwoorden
    Het Nederlands is een taal die rijk is aan leenwoorden, vooral Franse en Engelse leenwoorden. In deze rubriek worden de regelmatigheden van deze twee soorten woorden behandeld. De Franse en Engelse klinkers en medeklinkers en de combinaties daarvan, in combinatie met de uitspraak die ze in het Nederlands hebben. Frans bijvoorbeeld: boulevard, douche, portefeuille. Engels bijvoorbeeld: dashboard, downloaden, grapefruit. Bij deze vreemde woorden is vanzelfsprekend het inprenten zeer belangrijk.

  • C of K
    Bij de spellingwijziging van 2005 is het gebruik van C of K vastgelegd. Er zijn weinig regels voor te geven, het onthouden van de juiste spelling is een kwestie van inprenten. Daarbij is het handig om met name de woorden met K te onthouden, want dat zijn er niet zoveel. Het programma geeft een overzicht van de belangrijkste (o.a. akkoord, krokus, traktatie).

  • Trema en apostrof
    Trema en apostrof zijn spellingtekens. Ze helpen de lezer tot een juiste uitspraak te komen. Dat is een tamelijk ‘regelmatig’ procedé. Het trema wordt alleen gebruikt als klinkercombinaties anders verkeerd gelezen kunnen worden (ruïne, categorieën). De apostrof wordt gebruikt bij meervoud (accu’s, gamba’s), bij het aanduiden van bezitsverhoudingen (Anna’s hoed) en als teken van weglating (’s Hertogenbosch).

  • Opbouwspelling
    Deze spelling wordt ook wel morfologische spelling genoemd. In rubriek G wordt allereerst de verlengingsregel behandeld (‘hoofd’ vanwege ‘hoofden’). Verder is er aandacht voor woorddelen die veel voorkomen en altijd hetzelfde geschreven worden, bijvoorbeeld voorvoegsels als ‘ab’, ‘ob’ en ‘ver’, en achtervoegsels als ‘lijk’, ‘heid’, ‘teit’ en de verkleinwoorduitgangen. Ook bij samenstellingen moet stilgestaan worden bij de woorden waaruit deze samenstellingen bestaan, wil men tot de juiste spelling komen, bijvoorbeeld bij: glasscherf, kostdeeg, voortdurend. Niet alle letters van deze woorden worden immers uitgesproken.

  • Met of zonder n
    Rubriek H gaat over de uitgang van bijvoeglijke naamwoorden, soms met N (wollen, emaillen) en soms zonder N (geschilderde, verwaarloosde). Ook al dan niet zelfstandig gebruikte persoonlijke voornaamwoorden (alle(n), sommige(n)) komen aan de orde.

    Oefening
  • Afbreken
    Tijdens het schrijven moeten meerlettergrepige woorden soms afgebroken worden en daar gelden heldere regels voor. Bijvoorbeeld: burger-oorlog, vergeet-achtig, jon-gen, art-sen. In rubriek I worden deze regels gepresenteerd en geoefend.

  • Aaneenschrijven
    In rubriek J worden de regels voor het aaneenschrijven behandeld. Het herkennen van de klemtoon in woorden kan daarbij helpen (één klemtoon, dan één woord). In bepaalde gevallen worden woorden gekoppeld met een streepje (na-apen, Noord-Brabant). Lastig is het al dan niet koppelen van getallen (tweeduizend, dertig miljoen) en voorzetsels (‘achterin’ of ‘achter in’), al dan niet in combinatie met werkwoorden.

  • Tussenletters
    Berucht is nog steeds de spelling van tussenletters in samenstellingen, hoewel de regels sinds 2005 wel zijn vereenvoudigd. Dit spellingprobleem wordt behandeld in rubriek K. Aan de orde komt het al dan niet gebruiken van S als tussenletter (aanvalssein, Stationsstraat) en van E of EN (heldendaad, zonne-straal, ruggengraat, ruggespraak).

  • Hoofdletters
    Rubriek L behandelt het gebruik van hoofdletters in eigennamen van mensen, plaatsen, producten, organisaties etc., bijvoorbeeld in: Jan van de Berg, de heer Van de Berg, Turken, Eskimo’s, maar niet in: maandag, januari, westen, katholiek, mavo. Ook de hoofdletters bij zinnen, citaten en afkortingen komen aan de orde.

  • Tegenwoordige tijd
    Bij rubriek M begint de spelling van de werkwoordsvormen. In deze eerste rubriek wordt de spelling van de tegenwoordige tijd behandeld. Er worden in de uitlegschermen regels gegeven, een ezelsbruggetje en een schema. Studenten kunnen daarmee zelf kiezen wat voor hen werkt. Hoewel het gaat om de spelling van persoonsvormen, komt het begrip persoonsvorm nog niet aan bod, omdat alleen persoonsvormen worden aangeboden.

  • Verleden tijd
    Voor de spelling van de verleden tijd is het herkennen van het onderwerp van belang. Aangeleerd wordt hoe studenten het onderwerp kunnen vinden dat bij het te spellen werkwoord hoort. In rubriek N komen verder het onderscheid tussen regelmatige en onregelmatige werkwoorden, de spelling van de regelmatige werkwoorden en de regel van ’T KOFSCHIP aan de orde.

  • Andere vormen
    In rubriek O komen werkwoordsvormen aan de orde die geen persoonsvorm zijn: infinitief, voltooid deelwoord en voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord. Omdat nu ook homofonen als ‘verhuist/verhuisd’, ‘vergrote/vergrootte/vergroten’ gespeld moeten worden, is het essentieel dat studenten weten wat een persoonsvorm is. Het herkennen van de persoonsvorm wordt daarom als eerste behandeld. De rubriek telt zes oefeningen in oplo-pende moeilijkheid.

  • Werkwoorden totaal
    In de praktijk van het schrijven komen de verschillende werkwoordsvormen die in de vorige rubrieken behandeld zijn, niet afzonderlijk aan de orde, maar door elkaar. Taalgebruikers moeten daarbij het complete algoritme van de werkwoordspelling kunnen toepassen. We hebben daarom ook een gemengde rubriek gemaakt. Dat is rubriek P. Deze rubriek begint met de grammatica die voor het spellen nodig is (persoonsvorm en onderwerp) en vervolgt met toepassingen van de verschillende regels. 

Het bestand Muiswerk Spelling voor de bovenbouw bestaat uit 90 oefeningen en 4 diagnostische en evaluerende toetsen. In totaal zijn in dit lesbestand ruim 3400 vragen verwerkt. De stof wordt uitgelegd in 230 uitlegschermen.