Leenwoordentest Engels ook voor de basisschool

De Leenwoordentest Engels kan worden gebruikt voor het vaststellen van de ernst van leesproblemen in het Nederlands en het risico op leesproblemen in het Engels. De test is ontworpen in het kader van het promotieonderzoek van Schijf naar lees- en spellingvaardigheid in de brugklas (2009) en bestaat uit een lijst met frequente en alledaagse Engelse leenwoorden naar het model van de Een-Minuut-Test (EMT: Brus & Voeten, 1973). Muiswerk Educatief biedt op deze site de test met al het bijbehorende materiaal kosteloos aan en roept u op de resultaten op te nemen in een voorgevormd document.

Door de resultaten aan ons door te geven, draagt u bij aan de normering van de test voor het basisonderwijs. Vooralsnog is alleen een normering voor het begin van de brugklas ontwikkeld. Ook deze normering kunt u downloaden met de rest van het materiaal. Zolang er nog geen afzonderlijke normering voor het begin van groep 8 is, zou de vmbo-normering van de brugklas gebruikt kunnen worden om de resultaten van uw leerlingen tegen af te zetten.

  • Klik hier voor de leenwoordenlijst, voor praktische informatie over het afnemen van de test, voor het scoreformulier en voor informatie over de normering van de test.
  • Klik hier voor het document waarin u de resultaten kwijt kunt. Wilt u meehelpen met het opstellen van een eerste normering? Mail dit document dan ingevuld naar info@muiswerk.nl. De resultaten van uw leerlingen worden vervolgens meegenomen in de normering van deze test.

Waarom de Leenwoordentest afnemen?
De Leenwoordentest Engels kan worden gebruikt voor het vaststellen van de ernst van leesproblemen in het Nederlands en het risico op leesproblemen in het Engels. In tegenstelling tot het Nederlands gaat het volgens Van Berkel en Wiers (2011) bij lezen in het Engels - en ook Frans - niet zozeer om decoderen (het omzetten van afzonderlijke letters naar klanken en het vervolgens samenvoegen van die klanken tot een woord), maar om het herkennen en in één keer omzetten van grotere woorddelen of hele woorden naar klankvormen. Het gebruik van een Engelse of Franse leenwoordentest verdient volgens de schrijvers de voorkeur boven woordleestoetsen met echte Engelse en Franse woorden, zoals te vinden in Fawcett & Nicholson (1996) en Kleijnen, Steenbeek-Planting en Verhoeven (2008). De drie publicaties van Van Berkel en Wiers zijn (ook) te vinden op www.dyslexie-en-vt.org.

In leesonderzoek wordt altijd aangenomen dat het Nederlands een tamelijk transparante schrijfwijze heeft. In vergelijkende onderzoeken worden alleen woorden gekozen die volgens de Nederlandse regels zijn opgebouwd. Leenwoorden blijven echter altijd buiten beschouwing. In het brugklasonderzoek is aannemelijk gemaakt dat het lezen van regelmatig gevormde woorden afwijkt van het lezen van Engelse leenwoorden. De fonologische competentie is voor leenwoorden minder belangrijk en de orthografische competentie juist belangrijker. Bovendien verklaart bij het lezen van leenwoorden ook woordkennis een deel van de variantie en bij het lezen van Nederlandse erfwoorden niet. Om een beeld te krijgen van beide dimensies van technisch (hardop) lezen zou ook gekeken moeten worden naar de prestaties bij het lezen van leenwoorden.

De tweede reden voor het afnemen van de Leenwoordentest heeft te maken met de relatie tussen Engelse leenwoorden en echte Engelse woorden. Bij het onderzoek naar het lezen van Engelse woorden is duidelijk geworden dat de Engelse One Minute Test (OMT, Fawcett & Nicholson 1996) voor brugklassers nog erg veel problemen oplevert: er werden extreem veel woorden fout gelezen (Schijf, 2009). De leenwoordenlijst, die hoog correleert met de OMT (r = .79), is daarom beter geschikt om het lezen van woorden met een Engelse orthografie te onderzoeken, want het lezen van deze woorden is minder frustrerend. Van Berkel en Wiers maken in hun onderzoek bij normale en dyslectische lezers in het voortgezet onderwijs aannemelijk dat woordlijsten met Engelse en Franse leenwoorden ook inhoudelijk beter geschikt zijn om leesproblemen bij Engels en Frans vast te stellen. Een Franse leenwoordentest is door hen ontwikkeld. Zij geven aan dat het zinvol zou zijn als er ook een normering van beide leenwoordentests zou zijn voor begin groep 8, zodat leerlingen die het risico lopen op leesproblemen bij Engels en Frans tijdig gesignaleerd kunnen worden.

Wat zijn leenwoorden?
In het verleden kwamen vooral Latijnse, Griekse en Franse leenwoorden die de Nederlandse taal binnen, maar de laatste jaren is de instroom van Engelse woorden nogal groot. Onder leenwoorden verstaan we woorden waarvan zowel de klank (en/of spelling) als de betekenis geleend zijn uit een andere taal. Een leenwoord is dus een ‘vreemd’ element dat de taal binnenkomt en dat verschillende stadia kent van aanpassing aan de gasttaal. In het laatste stadium is het woord niet meer te herkennen als leenwoord, bijvoorbeeld een Latijns woord als ‘venster’. Soms hoeven leenwoorden niet aangepast te worden omdat ze qua klank en vorm ook een erfwoord kunnen zijn, bijvoorbeeld het Engelse ‘film’. Omdat Engelse leenwoorden het meest recent in het Nederlands zijn opgenomen, zijn ze het minst aangepast aan de Nederlandse schrijfwijze en zijn meestal de Engelse foneem-grafeem-koppelingen nog gehandhaafd (Van der Sijs, 1996). De Engelse orthografie wijkt nogal af van de Nederlandse en er is een verband is tussen het kunnen lezen van Engelse leenwoorden en het kunnen lezen van echte Engelse woorden (Schijf, 2009; Van Berkel & Wiers, 2011). Het is daarom belangrijk om bij het onderzoek naar leesproblemen aan deze woorden aandacht te besteden. Bij de woorden uit de leenwoordentest gaat het dan alleen om woorden waarvan de klanktekenkoppelingen op een of meer punten afwijken van de Nederlandse. Hoewel leenwoorden minder frequent voorkomen in de Celex-database (Burnage, 1990), zijn woorden als ‘team’, ‘joggen’, ‘diskdrive’ en ‘playbackshow’ voor veel jongeren wel tamelijk alledaags. Deze woorden komen niet voor in het databestand of hebben een lage frequentie omdat het bestand vanaf 1998 niet meer is aangevuld. Engelse leenwoorden zijn in Nederland bovendien vooral spreektaalwoorden en het Celexbestand is gemaakt op basis van schriftelijke bronnen. De Engelse leenwoorden komen ook nauwelijks voor in de taalmethodes voor het basisonderwijs - dit in tegenstelling tot de Franse leenwoorden.

Enkele resultaten Brugklasonderzoek
De correlatie tussen de Een-Minuut-Test en de Leenwoordentest is in het Brugklasonderzoek hoog: .79 (n =689), maar niet zo hoog dat je kunt zeggen dat de testen precies hetzelfde meten (Schijf, 2009). Bij de Leenwoordenlijst wordt overeenkomstig de EMT ook met 1 minuut leestijd gewerkt. Er zijn in het brugklasonderzoek in die minuut gemiddeld 19 woorden minder gelezen (60,9, SD 15,6) dan bij de EMT. De ruwe score van EMT en Leenwoordentest wordt berekend door van het totale aantal woorden het aantal fout gelezen woorden af te trekken. Bij de EMT wordt 2% van de woorden fout gelezen, bij de Leenwoordentest is dat 7,2%.

Zoals verwacht verschillen de prestaties van allochtone en autochtone leerlingen bij beide leestesten niet significant. Anders dan verwacht echter zijn bij het lezen van Nederlandse woorden meisjes wel beter dan jongens. Dit verschijnsel is wel in overeenstemming met het gegeven dat meisjes in Nederland en een aantal andere landen een kleine tot middelmatige voorsprong op jongens hebben als het gaat om taal en lezen (Van Langen & Driessen, 2006). Het verschil binnen de groepen is echter veel groter dan het verschil tussen de groepen. Bij Leenwoorden is het verschil tussen jongens en meisjes er niet, wellicht als gevolg van het gegeven dat jongens over het algemeen bij Engels beter presteren dan meisjes.

Referenties

  • Berkel, A. J. van, (1999). Niet van horen zeggen – Leren spellen in het Engels als vreemde taal. Academisch proefschrift, Vrije Universiteit. Bussum: Coutinho.
  • Berkel, A. van & Wiers, E. (2011). Leestoetsen Engels en Frans onder de loep. Tijdschrift voor Remedial Teaching, 1, 20-25.
  • Berkel, A. van & Wiers, E. (2011). De woordleestoetsen Engels en Frans in de brugklas. www.dyslexie-en-vt.org
  • Berkel, A. van & Wiers, E. (2011). Het onderzoek van dyslectische leerlingen. www.dyslexie-en-vt.org
  • Brus B.T., & Voeten, M.J.M.(1973) Een-minuuttest. Nijmegen, Berkhout.
  • Burnage, G. A. (1990). Celex: A guide for users. Nijmegen: Centre for Lexical Information, Katholieke Universiteit Nijmegen.
  • Fawcett, A. J., & Nicolson, R. I. (1996). The Dyslexia Screening Test. London: The Psychological Corporation.
  • Kleijnen, R., Steenbeek-Planting, E. & Verhoeven, L. (2008). Toetsen en Interventies bij Dyslexie in het Voortgezet Onderwijs, Nederlands en de Moderne Vreemde Talen. Nijmegen: Expertisecentrum Nederlands.
  • Langen, A. van & Driessen G. (2006) Sekseverschillen in onderwijsloopbanen, een internationaal comparatieve trendstudie. Nijmegen: ITS.
  • Share, D.L. & Shalev, C. (2004). Self-teaching in normal and disabled readers. Reading and Writing: An Interdisciplinary Journal, 17, 769-800.
  • Schijf, G. M., (2009). Lees- en Spellingvaardigheden van brugklassers. Academisch proefschrift, Universiteit van Amsterdam (te downloaden via www.narcis.nl).
  • Sijs, N. van der (1996). Leenwoordenboek. Den Haag: SDU Uitgevers.