Leesstart

Het programma Leesstart richt zich op het leren herkennen van eind- en beginrijm, het manipuleren en samenvoegen van klanken en op letterkennis.

Een

Doelgroep Leesstart

Muiswerk Leesstart richt zich op leerlingen van groep 2 van het basisonderwijs en leerlingen die achterblijven bij lezen en spellen in hogere groepen van het basis- of speciale onderwijs. 

Omschrijving Leesstart

Met het programma Leesstart leren leerlingen klankovereenkomsten in woorden onderscheiden. Het programma richt zich dus op verbetering van de fonologische competentie, een belangrijke voorwaarde voor en ondersteuning bij het leren lezen. Daarnaast richt het programma zich op de letterkennis. Pas als leerlingen in staat zijn de afzonderlijke klanken in woorden goed waar te nemen, kunnen ze de volgende stap nemen, namelijk het koppelen van letters aan klanken, waar het normale leesonderwijs zich op richt.

Door met rijmen en het manipuleren van klanken bezig te zijn, worden leerlingen zich ervan bewust dat woorden uit klanken bestaan, en dat er verschillen en overeenkomsten zijn tussen die klanken. Het op die manier ontwikkelde foneembewustzijn ondersteunt de latere leesinstructie en kan voorkomen dat er leesproblemen ontstaan. Het bewustzijn van de overeenkomsten en verschillen tussen klanken is een van de beste voorspellers van later leessucces (Adams, 1990). Een goed ontwikkeld fonologische bewustzijn gekoppeld aan kennis van letters vergemakkelijkt in groep 3 het proces van beginnend lezen (decoderen).

Leesstart bestaat uit de volgende vijf hoofdafdelingen:

  • Rubriek A t/m E: eindrijm
    De eerste oefeningen gaan over eindrijm in korte woorden en de leerling moet kiezen uit twee plaatjes, dan volgen oefeningen met drie plaatjes en wordt het onderscheid tussen de klanken wat lastiger.

    Oefening
    Opdracht van oefening E1. De leerling hoort: "Luister goed. Welk plaatje rijmt NIET?" Als hij over de afbeelding gaat met de muis, hoort hij: HAND - BOOG - OOG. Het plaatje van HAND is het goede antwoord.

  • Rubriek F t/m I: beginrijm
    Verderop komt beginrijm aan bod, eerst met meer letters (welk woord begint met de ‘b’ van ‘beek’? ... been) en dan de zuivere allitteratie (welk woord begint ook met de b van ‘beer’? ... baard).

    Oefening
    Opdracht van oefening G3. De leerling hoort: Wat begint met de D van DAPPER? Het juiste antwoord is het plaatje van de DEURKRUK.

  • Rubriek J t/m M: woorden maken (klanksynthese)
    De derde afdeling gaat over het samenvoegen van klanken tot woorden: M-UU-R  is ... muur (plaatje aanwijzen).

    Oefening
    Opdracht van oefening M3, de moeilijkste oefening van deze afdeling. De leerling hoort: Welk woord hoor je? K--R--AA--N. Hij moet het plaatje van KRAAN aanwijzen.

  • Rubriek N t/m Q: klanken weglaten
    De vierde afdeling richt zich op het manipuleren met klanken, het weglaten van klanken in een woord, waardoor nieuwe woorden ontstaan (welk woord krijg je als je de ‘k’ van ‘balk’ weglaat? ... bal). Eerst wordt de eerste klank weggelaten, dan de laatste klank en tot slot de tweede klank van een woord.

    Oefening
    Opdracht van oefening O1. De leerling hoort: Als je de V van VLEK weghaalt, dan krijg je …. Hij gaat met de muis over de gekleurde plaatjes en hoort van links naar recht VLERK - GEK - LEK. Hij moet dus op het roze plaatje klikken.

  • Rubriek P t/m U: letters leren
    De vijfde afdeling gaat over letterkennis. Hier worden de letters eerst aangeboden, gekoppeld aan een kort woord en met een illustratie: Dit is de ‘s’ van ‘sok’, klik op de ‘s’ van ‘sok’. Later worden de aangeleerde letters teruggevraagd. Behandeld worden eerst de letters die qua vorm en klank niet veel op elkaar lijken en later de letters die dichter bij elkaar staan, zoals de ‘b’ en de ‘d’ en de ‘m’ en de ‘n’.

    Oefening
    In de tweede oefening van elke rubriek van Letters leren verschijnen de aangeleerde letters met bijbehorende plaatjes in een meerkeuzeoefening. De vraag is bijvoorbeeld: Waar zie je de ‘h’ van ‘hond’. In de derde oefening verschijnen de letters zónder plaatjes en in de vierde eveneens. Er moet in het laatste geval uit 8 mogelijkheden gekozen worden.

Bij elke afdeling hoort een afzonderlijke diagnostische toets die gebruikt kan worden om na te gaan of de leerling de geteste vaardigheden beheerst. Vervolgens genereert het programma zelf een oefenprogramma dat aansluit bij de gemaakte fouten. Er is bovendien een ‘instaptoets’ waarmee kan worden nagegaan met welke vaardigheid het best begonnen kan worden.