Spelling Werkwoorden
Spelling Werkwoorden is een programma voor het leren schrijven van de werkwoordsvormen. Deze module behandelt de spelling van infinitief, tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, en voltooid deelwoord gebruikt als bijvoeglijk naamwoord. Het besteedt ook aandacht aan twee noodzakelijke grammaticaonderwerpen: de persoonsvorm en het onderwerp.

Doelgroep Spelling Werkwoorden
Spelling Werkwoorden is bedoeld voor leerlingen in het vmbo GL en TL, havo en vwo, middelbaar beroepsonderwijs (vanaf niveau 2) en volwasseneneducatie. Spelling Werkwoorden kan zowel gebruikt worden door leerlingen die nog veel spelfouten maken als door leerlingen die al behoorlijk gevorderd zijn. Het programma begint op niveau 1F en loopt door tot iets onder 3F.
Omschrijving Spelling Werkwoorden
Het basisprincipe van de Muiswerkprogramma's is dat diagnostische toetsen uitzoeken welke gebieden de leerling onvoldoende beheerst. Vervolgens selecteert het programma de oefeningen die daarbij aansluiten. Leerlingen werken op die manier alleen aan hun zwakke plekken. Ook Muiswerk Spelling Werkwoorden is zo gestructureerd.
In Spelling Werkwoorden wordt aandacht besteed aan het hele algoritme van de spelling van regelmatige werkwoorden. Het bestand valt in drie grote delen uiteen: de afdeling Tegenwoordige Tijd, de afdeling Verleden Tijd en de afdeling Andere Vormen. Daarnaast zijn er enkele algemene oefeningen waarmee geoefend kan worden met het gebruik van het complete algoritme. De opbouw van de afdelingen is cumulatief. Wat in de eerste afdeling aan de orde kwam (bijvoorbeeld het afleiden van de stam) wordt in de tweede afdeling bekend verondersteld. In het programma worden de volgende onderwerpen behandeld:
- Tegenwoordige tijd, stam
De stam is de kleinste vorm van het werkwoord die je ooit ergens tegen kunt komen. Je krijgt de stam als je 'ik' voor het werkwoord zet en de tegenwoordige tijd gebruikt. Soms is het voldoende om -en van het hele werkwoord af te halen, soms moet je meer doen: een letter erbij, een letter eraf, of een andere letter gebruiken. Dat is in het kort de stof van dit onderdeel. Er is één oefening waarbij de leerling de stam van een gegeven werkwoord moet typen. - Tegenwoordige tijd, ik-vormen
Bij het onderwerp 'ik' gebruik je in de tegenwoordige tijd de stam van het werkwoord. De leerling krijgt hier een oefening van het type 'Wijs aan in tekst' en moet de foute ik-vormen aanwijzen. Hij moet hiermee zijn kennis over (het gebruik van) de stam toepassen.
Oefening B3 Infinitieven
- Tegenwoordige tijd, je/jij-vormen
Beruchte struikelblokken voor de tegenwoordige tijd zijn de werkwoordvormen die je bij 'je' en 'jij' gebruikt. De regels van het algoritme worden in schema en in woorden uitgelegd. - Tegenwoordige tijd, derde persoon
Bij deze rubriek horen de stam+t-vormen die je in de tegenwoordige tijd krijgt bij de derde persoon. Het kunnen afleiden van de stam is bij deze afdeling cruciaal. In oefening D1 gaat het alléén om de derde persoon. Maar stof uit de vorige rubrieken wordt hier bekend verondersteld en in de oefeningen D2 en D3 gaat het dus ook om ik-vormen en je/jij-vormen, waarbij de derde oefening het meest compleet is. Bij de oefening met het hoogste nummer krijgt de leerling een ezelsbruggetje aangereikt, namelijk: vervang het werkwoord door 'smurfen' en je hóórt of die -t erachter moet. De drie oefeningen lopen op in moeilijkheidsgraad. Oefening D3 bevat alle stof van deze en voorgaande rubrieken. - Tegenwoordige tijd, meer-voud
Het meervoud van de tegenwoordige tijd is eenvoudig. De leerlingen leren hier dat ze de infinitief moeten gebruiken en dat deze zo eenvoudig mogelijk geschreven wordt. In een tekstoefening moeten ze de meervoudsvormen aanwijzen die niet goed geschreven zijn.
Oefening E1 Ik-vormen
- Verleden tijd, onderwerp
Over het algemeen wordt pas bij de verleden tijd belangrijk dat een leerling het onderwerp kan aanwijzen dat bij het te spellen werkwoord hoort. In de tegenwoordige tijd hóór je immers goed of het enkelvoud of meervoud is. Daarom staat het onderwerp pas op deze plaats in de rij. De wie/wat-vraag wordt gebruikt als middel om het onderwerp te vinden. Aan de orde komen ook de zogenaamde groepsonderwerpen (men, de directie, het gereedschap) die taalkundig enkelvoud zijn, maar vaak aan meervoud doen denken. Verder leert de leerling dat er in een lang onderwerp altijd een hoofdwoord is dat bepaalt of de persoonsvorm in het enkelvoud of in het meervoud staat. Er zijn twee oefeningen, waarvan F2 de complete stof bevat. - Verleden tijd
Naast het probleem van enkelvoud of meervoud, heb je bij de verleden tijd ook het probleem van de enkele of dubbele d of t. Speciaal over dit probleem gaat de eerste oefening. In de tweede oefening (G2) gaat ook het verraderlijke onderwerp weer een rol spelen. - Verleden tijd, kofschip
De keuze voor -de(n) of -te(n) is bij sommige werkwoorden lastig. Er is hier een aparte rubriek aan gewijd. De regel van 't kofschip moet uitkomst bieden. In de tweede oefening (H2) is ook het onderwerp er weer bij. - Andere vormen, persoonsvorm
Pas bij de derde afdeling van dit bestand aangeland, wordt de persoonsvorm behandeld. Het vinden van de persoonsvorm is weliswaar uitgangspunt van het algoritme van de werkwoordspelling. Maar wie begint met het leren vinden van de persoonsvorm, moet vervolgens ook àlle regels van de werkwoordspelling in één keer behandelen. Daarom hebben wij gekozen voor deze volgorde. Pas nu moet de leerling vaststellen: is dit een persoonsvorm of een andere vorm van het werkwoord. Voor het leren vinden van de persoonsvorm zijn twee oefeningen opgenomen.
Oefening I2 Kofschip en getal. Na een fout antwoord mag de leerling het nog een keer proberen.
- Andere vormen, voltooid deelwoord
Hier leert de leerling wat een voltooid deelwoord is en hoe het wordt gespeld (-en, -d of -t). Hij moet zo nodig teruggrijpen naar de regel van 't kofschip. In de tweede oefening (J2) wordt het voltooid deelwoord tegenover de tegenwoordige tijd gezet. Met name aan de spelling van de zogenaamde tweelingwoorden (gebeurt/gebeurd) wordt aandacht besteed. Hiervoor moet de leerling kunnen vaststellen of het woord persoonsvorm is of niet. - Andere vormen, infinitief
De infinitief (het hele werkwoord) is op zichzelf niet lastig. Het wordt pas weer moeilijk als je gaat kijken naar tweelingwoorden als verwachten/ verwachtten. Hiervoor moet de leerling kunnen vaststellen of het woord persoonsvorm is of niet. Deze oppositie vindt vooral in de tweede oefening plaats (K2). - Andere vormen, bijvoeglijk naamwoord.
Omdat er veel verwarring kan zijn over de spelling van koppels als verwachtte/verwachte, is ervoor gekozen om ook het bijvoeglijk naamwoord gemaakt van een werkwoord, hier te behandelen. De leerling leert dat je deze bijvoeglijke naamwoorden altijd zo simpel mogelijk schrijft en dat er geen wezenlijk verschil is met de spelling van gewone bijvoeglijke naamwoorden. Als er sprake is van twee verschillende vormen (groot/grote, verbreed/verbrede), dan schrijf je nooit een -n; is er sprake van één vorm (stenen, gebakken) dan juist altijd wèl.
Natuurlijk is het belangrijk dat de leerling ook de werkwoorden die níet vooraf in een categorie zijn ondergebracht leert schrijven. In de praktijk van alledag is dat immers ook niet het geval. Daarom is er een uitgebreide categorie met allesomvattende oefeningen, waarbij oefening M4 het meest lijkt op wat in de toets Alle Werkwoordsvormen bevraagd wordt. In de verzamelrubriek komen leerlingen alleen via deze toets terecht.
Het lesbestand Spelling Werkwoorden bestaat uit 5 toetsen en 59 oefeningen. Er zijn 148 uitlegschermen met plaatjes, schema’s en tekst. De leerling werkt met vijf verschillende oefen- en toetsvormen. In totaal zijn in dit lesbestand ruim 5000 variaties van zinnen en woorden en 5 teksten opgenomen.
