Spelling op maat 3
De Muiswerkprogramma’s Spelling op maat 1, 2 en 3 vormen een complete leerlijn voor de spelling die op de basisschool moet worden aangeleerd. Spelling op maat 3 is het derde deel van deze leerlijn.
Doelgroepen Spelling op maat 3
Dit programma is gemaakt voor leerlingen van groep 7 en 8 van de basisschool, alle niveaus van het vmbo en mbo 1 en 2.
Omschrijving Spelling op maat 3
Het basisprincipe van Muiswerkprogramma's is dat een diagnostische toets de leerling stuurt naar oefenmateriaal dat aansluit bij de fouten die hij maakte. Ook Spelling op maat 3 is zo gestructureerd. Er wordt dus gedifferentieerd mee gewerkt.
De rubrieken zijn opgebouwd naar moeilijkheid, op basis van de lesstofindeling die in de meeste methodes voor het basisonderwijs gevolgd wordt. De opbouw is cumulatief, dat wil zeggen: wat eerder behandeld is, wordt bekend verondersteld. Het is daarom niet aan te raden hier en daar een los onderwerp uit het programma te halen, zonder dat het voorgaande behandeld is.
Aangenomen is dat in groep 4, 5 en 6 de regelmatige en minder regelmatige koppelingen tussen klanken en letters is aangeleerd, dat de leerling inmiddels weet dat voor het spellen goed naar de klanken luisteren niet voldoende is. Er wordt immers soms enigszins afgeweken van wat je hoort en één klank wordt soms op verschillende manieren gespeld (g/ch, ei/ij, au/ou). Bovendien moeten op de voorlopige klankvorm soms orthografische regels worden toegepast om bij de juiste spelling terecht te komen. In Spelling op maat 1 zijn de verlengingsregel, en de regels van klinkerverenkeling en medeklinkerverdubbeling behandeld. Deze drie regels worden in Spelling op maat 2 herhaald. Bovendien besteedt dit programma onder andere aandacht aan de spelling van de ee-klank, de afwisseling s/z en f/v, de spelling van het meervoud van zelfstandige naamwoorden, de hoofdletters en het al dan niet aaneenschrijven van woorden.
In de Spelling-op-maat-programma’s is geprobeerd de regelmatigheden in de opbouw van de Nederlandse woorden zo veel mogelijk expliciet aan te geven. Vaak gaat het daarbij om statistische verschijnselen die een goed spellende leerling zelf al snel ontdekt, maar een zwakke speller niet. Bijvoorbeeld dat de op het eind van een woord en in een beklemtoonde lettergreep de ie-klank meestal als ie geschreven wordt. Via verhaaltjes waar woorden met een bepaalde spelling in voorkomen (bijvoorbeeld woorden met ei of woorden met au) wordt het inprenten van woorden ondersteund en via beelden het onthouden van de spelling van achtervoegsels. In tegenstelling tot veel spellingmethodes worden in de op-maat-programma’s ook verschijnselen gepresenteerd die te maken hebben met de bouw van de Nederlandse woorden; de voor- en achtervoegsels en de bouw van samenstellingen.
In Spelling op maat 3 wordt in de eerste rubrieken opnieuw aandacht besteed aan drie belangrijke spellingregels, die voor veel leerlingen jarenlang lastig blijven. Rubriek A gaat over de regels van klinkerverenkeling en medeklinkerverdubbeling; in rubriek B wordt opnieuw de verlengingsregel behandeld. In beide rubrieken zijn moeilijke en wat langere woorden gebruikt. In rubriek C komt vervolgens de spelling van de ie-klank aan de orde. De regels voor deze spelling zijn ingewikkeld en er zijn nogal wat uitzonderingen. Rubriek D gaat over de spelling van stoffelijke en gewone bijvoeglijk naamwoorden. Daarvoor moet de leerling eerst zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden leren onderscheiden.
Rubriek E behandelt opnieuw een woordbouw-onderwerp: naast de uitgangen -teit en -heid komen nu ook -tie en -isch aan de orde. Ook rubriek F gaat specifiek over woordbouw: de spelling van samenstellingen als handdoek, verruimen, veranderen, ontdekken. Rubriek G gaat vervolgens over woorden die op -aal en -eel eindigen (lineaal, materieel) en verbuigingen daarvan (linealen, individuele) en rubriek H gaat over het gebruik van de apostrof bij het meervoud van zelfstandige naamwoorden (kassa’s, hobby’s), bezitswoorden (Bruno’s baard, maar: Linettes voet) en afkortingen (sms’je, tv’tje).
In rubriek I wordt het onderscheid tussen spellingen met Y, I of IE (psychisch, mysterie) en KS of X (ekseem, extreem) behandeld en rubriek J gaat over trema-gebruik (vegetariër, drieën, bacteriën). De rubrieken K en L behandelen respectievelijk de tussenletters s (Stationsstraat) en -e- of -en- (zonneschijn, paddenstoel). Tot slot worden twee rubrieken besteed aan de overgebleven leenwoorden: rubriek M gaat over de Engelse leenwoorden (grapefruit, captain) en rubriek N over de Franse leenwoorden (asperge, chauffeur).
De laatste rubriek (rubriek O) kan door de docent weer worden ingevuld met eigen oefeningen, bijvoorbeeld met andere of extra stof. Er zijn drie verschillende soorten ‘eigen oefeningen’. In elke soort kunnen maximaal 9 oefeningen worden aangemaakt.
Elke rubriek bevat een aantal oefeningen (maximaal 9). De reeks oefeningen binnen de rubriek heeft eveneens een opbouw naar moeilijkheid. In de eerste oefeningen worden vaak deelonderwerpen behandeld en in latere oefeningen komt de totale stof bij elkaar. De laatste oefening van elke rubriek is meestal een woorddictee met uitgebreide feedback. Ook de toetsen bestaan vrijwel altijd uit woorddictees. De laatste oefeningen van elke rubriek vormen daarom de optimale voorbereiding op het maken van de toets.
Veel toetsen en oefeningen hebben een ‘levend’ karakter, dat wil zeggen: ze behandelen wel telkens dezelfde lesstof, maar met wisselende woorden en zinnen.
Hieronder volgt een opsomming van de onderwerpen. Onder ‘leerjaar’ is aangegeven in welke groep begonnen wordt met het aanleren van deze stof. In veel gevallen wordt de stof in hogere groepen opnieuw geoefend.
Zowel allochtone als niet-allochtone leerlingen kunnen met dit programma hun voordeel doen. Buiten het programma valt de stof van het aanvankelijke spellen, waarin het verband tussen klanken en letters wordt aangeleerd en ook het grootste deel van de inprentwoorden. Wel komen in het programma enkele inprenttechnieken aan bod, waarmee op een tamelijk willekeurig corpus van woorden geoefend wordt.
Het lesbestand Spelling op Maat 3 bestaat uit 4 toetsen. Er is één uitgebreide toets waarin alle onderwerpen aan de orde komen en drie deeltoetsen waarin een deel van de onderwerpen getoetst worden. Er zijn 93 oefeningen, onderverdeeld naar onderwerp. In totaal zijn in dit lesbestand 2727 opdrachten verwerkt en er zijn 164 ingesproken uitlegschermen.


