Werkwoordspelling op maat

Muiswerk Werkwoordspelling op maat besteedt aandacht aan het hele algoritme van de spelling van regelmatige werkwoorden en ook aan de verleden tijd van onregelmatige werkwoorden.

werkwoordspelling op maat
 
Doelgroepen Werkwoordspelling op maat

Dit programma is gemaakt voor leerlingen vanaf groep 6 van de basisschool, alle niveaus van het vmbo, het praktijkonderwijs en mbo 1 en 2.

Omschrijving Werkwoordspelling op maat

Het basisprincipe van de Muiswerkprogramma's is dat diagnostische toetsen uitzoeken welke gebieden de leerling onvoldoende beheerst. Vervolgens selecteert het programma de oefeningen die daarbij aansluiten. Leerlingen werken op die manier alleen aan hun zwakke plekken. Ook Muiswerk Werkwoordspelling op maat is zo gestructureerd.

Muiswerk Werkwoordspelling op maat behandelt praktisch alle onderwerpen op het gebied van de werkwoordspelling. Er is ook een verzamelrubriek waarmee het complete algoritme geoefend kan worden. Hier volgt van elk onderwerp een nadere beschrijving. De inhoud die beschreven is, staat voor de leerling in de uitlegschermen en vormt de basis voor de oefeningen. Tijdens het oefenen kan de uitleg op elk gewenst moment opnieuw nagelezen worden.

  • Werkwoorden
    Deze rubriek is een voorbereiding op het eigenlijke 'spelwerk'. Voordat leerlingen aan de spelling van de werkwoorden toekomen, moeten ze weten wat een werkwoord is. Een eerste notie hiervan krijgen ze door werkwoorden bij bijpassende plaatjes te zoeken. Daarna moet het zonder beelden.

  • Stam
    De stam is de kleinste vorm van het werkwoord die je ooit ergens tegen kunt komen. Je krijgt de stam als je 'ik' voor het werkwoord zet en de tegenwoordige tijd gebruikt. Soms is het voldoende om -en van het hele werkwoord af te halen, soms moet je meer doen: een letter erbij, een letter eraf, of een andere letter gebruiken. Dat is in het kort de stof van dit onderdeel. 

  • Basisvormen tegenwoordige tijd
    In de eerste oefeningen krijgen de leerlingen een steeds wisselend aantal werkwoorden aangeboden, waarvan zij de basisvormen moeten intypen. Het zijn steeds drie vragen die bij elkaar horen; bij de eerste vraag moet de ik-vorm worden ingevuld, bij de tweede vraag komt de hij-vorm erbij en bij de derde vraag moet de wij-vorm worden ingetypt. Daarna volgen oefeningen waarbij de leerling in een tekst wijzigingen moet aanbrengen en de juiste vorm van het werkwoord in een zin invullen.

  • Persoonsvorm 1
    Het vinden van de persoonsvorm is uitgangspunt van het algoritme van de werkwoordspelling. Het wordt in dit grammaticadeel behandeld, maar verderop nog een keer, als de leerling de verschillende vormen van het werkwoord heeft leren toepassen. Er worden twee manieren aangereikt voor het leren herkennen van de persoonsvorm: het werkwoord van tijd veranderen, of de zin vragend maken.

  • Onderwerp 1
    Ook het onderwerp is een belangrijk grammaticaonderdeel; voor de spelling van de tegenwoordige tijd, maar vooral ook voor de verleden tijd. Je vindt het onderwerp door te vragen WIE of WAT + werkwoorden. Het antwoord op die vraag is het onderwerp. Net als het onderdeel Persoonsvorm komt het Onderwerp verderop in het programma nog een keer terug.

  • Getal
    Niet alleen moeten leerlingen voor het kunnen spellen van de werkwoorden een idee hebben van het gebruik van verschillende tijden; ze moeten ook weten wat enkelvoud en wat meervoud is. Als het onderwerp enkelvoud is, is de persoonsvorm ook enkelvoud. Als het onderwerp meervoud is, is de persoonsvorm ook meervoud.

  • Tijden
    Als je praat over nu dan gebruik je de tegenwoordige tijd. Praat je over het verleden, dan gebruik je meestal de verleden tijd. Voor het leren spellen van de werkwoorden is het belangrijk dat leerlingen weten wat tegenwoordige en verleden tijd is en dat zij deze tijden uit elkaar kunnen houden.

  • Ik-vormen
    Bij het onderwerp 'ik' gebruik je in de tegenwoordige tijd de stam van het werkwoord. Bij de oefeningen in deze rubriek moet de leerling zijn kennis over (het gebruik van) de stam toepassen.

    werkwoordspelling

  • Hij-vormen tt
    Bij deze rubriek horen de stam+t-vormen die je in de tegenwoordige tijd krijgt bij de derde persoon. Het kunnen afleiden van de stam is bij deze afdeling weer erg belangrijk. In drie oefeningen wordt de stof aangeleerd.

  • Meervoud tt
    Het meervoud van de tegenwoordige tijd levert meestal weinig problemen op, alleen de oppositie met sommige verledentijdsvormen is lastig. De leerlingen leren hier dat ze de infinitief moeten gebruiken en dat deze zo eenvoudig mogelijk geschreven wordt.

  • Jij-vormen
    In twee verschillende oefenvormen worden de eenvoudige jij-vormen geoefend: jij vóór de d-stam, jij achter de d-stam, jij vóór de gewone stam en jij achter de gewone stam. Beruchte struikelblokken voor de tegenwoordige tijd zijn de werkwoordsvormen die je bij 'je' en 'jij' gebruikt. De regels van het algoritme worden verderop in dit programma uitgelegd in een schema en in woorden.

  • Tegenwoordige tijd alles
    In deze rubriek komt alle stof van de tegenwoordige tijd samen. In zeven oefeningen worden de regels geoefend. De laatste twee oefeningen van rubriek L kunnen goed gebruikt worden als laatste voorbereiding op het (opnieuw) maken van een toets.

  • Onderwerp 2
    Bij de verleden tijd is het kunnen aanwijzen van het onderwerp extra belangrijk. Bij de tegenwoordige tijd hóór je immers meestal of je enkelvoud of meervoud schrijft. Daarom komt het onderwerp op deze plaats nog eens terug. De wie/wat-vraag wordt opnieuw gebruikt als middel om het onderwerp te vinden. De zinnen zijn iets moeilijker.

    werkwoordspelling Nederlands

  • Kofschip
    De keuze voor -de(n) of -te(n) is bij sommige werkwoorden lastig. Er is hier een aparte rubriek aan gewijd. De regel van 't kofschip moet uitkomst bieden. In vijf verschillende oefeningen wordt ‘het kofschip’ geoefend.

  • Verleden tijd regelmatig/onregelmatig
    De spelling van onregelmatige werkwoorden levert bij de meeste leerlingen weinig problemen op. Een probleem is soms wel of een werkwoord regelmatig of onregelmatig is. Bij de oefeningen die onder deze rubriek horen, wordt dit probleem behandeld en geoefend.
    Naast het probleem van enkelvoud of meervoud, heb je bij de verleden tijd van de regelmatige werkwoorden ook het probleem van de enkele of dubbele d of t. Beide problemen komen aan de orde.

    ww spelling
     
  • Verleden tijd alles
    De complete stof van de verleden tijd valt onder deze rubriek.

  • Persoonsvorm 2
    Pas bij de derde afdeling van dit bestand aangeland, wordt de persoonsvorm opnieuw behandeld. Het vinden van de persoonsvorm is uitgangspunt van het algoritme van de werkwoordspelling. Maar pas nu moet de leerling vaststellen: is dit een persoonsvorm of een andere vorm van het werkwoord.

  • Voltooid deelwoord
    Hier leert de leerling wat een voltooid deelwoord is en hoe het wordt gespeld (-en, -d of -t). Hij moet zo nodig teruggrijpen naar de regel van 't kofschip.

  • Bijvoeglijk naamwoord maken
    In deze rubriek wordt uitgelegd dat een voltooid deelwoord gebruikt kan worden als een bijvoeglijk naamwoord. Als het voltooid deelwoord op -en eindigt, verandert er niets. Eindigt het op -d of -t dan kan er een -e achter komen.

  • Infinitief
    De infinitief (het hele werkwoord) is op zichzelf niet lastig. Het wordt pas weer moeilijk als je gaat kijken naar tweelingwoorden als verwachten/verwachtten. Hiervoor moet de leerling kunnen vaststellen of het woord persoonsvorm is of niet.

  • Je/jij-vormen 2
    Beruchte struikelblokken voor de tegenwoordige tijd zijn de werkwoordsvormen die je bij 'je' en 'jij' gebruikt. De regels van het algoritme worden in verschillende uitlegschermen uitgelegd.

  • Gebiedende wijs
    De gebiedende wijs wordt gebruikt om een opdracht of commando te geven. Er staat meestal geen onderwerp in de zin. De vorm is gelijk aan de STAM van het werkwoord. Hoewel dat vroeger anders was, wordt deze vorm tegenwoordig zowel voor enkelvoud als meervoud gebruikt.

  • Verzamelrubriek werkwoorden
    Natuurlijk is het belangrijk dat de leerling ook de werkwoorden die níet vooraf in een categorie zijn ondergebracht leert schrijven. In de praktijk van alledag is dat immers ook niet het geval. Daarom is er een categorie met allesomvattende oefeningen, waarbij bij de laatste oefening een dictee is.

Het lesbestand Werkwoordspelling op maat bestaat uit 5 toetsen en 89 oefeningen. Er zijn 201 uitlegschermen met plaatjes, schema’s en tekst. De leerling werkt met 10 verschillende oefen- en toetsvormen. In totaal zijn in dit lesbestand ruim 4590 variaties van zinnen en woorden en 26 teksten opgenomen.